Verschillen tussen de WGA & WAO

Wel of niet eigenrisicodragen
Om een verantwoorde beslissing over wel of niet eigenrisico¬dragen te kunnen nemen, is het goed om de belangrijke verschillen tussen de vroegere WAO en de huidige WGA tegen het licht te houden.

  • De WGA kent een wachttijd van twee jaar. Bij de WAO was dat één jaar.

Gevolg: veel meer werknemers herstellen tijdens de wachttijd, zodat per saldo minder werknemers instromen in de WGA-regeling.

  • De WGA-keuringen en herkeuringen vinden plaats op basis van het nieuwe schattingsbesluit.

Gevolg: door de strengere keuringen krijgen (veel) minder mensen een uitkering.

  • De WGA kent een drempel van 35%. Bij de WAO was dat 15%.

Gevolg: door de veel hogere drempel krijgen aanzienlijk minder mensen een WGA-uitkering.

  • Werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn krijgen geen WGA-uitkering, maar een IVA-uitkering. Bij

de WAO werd geen onderscheid gemaakt. Gevolg: de kosten van deze niet of nauwelijks (meer) te reintegreren werknemers komen niet voor rekening van de eigenrisicodrager WGA. Werknemers die op een later tijdstip alsnog blijvend èn duurzaam arbeidsongeschikt blijken te zijn, gaan alsnog over naar de IVA en komen vanaf dat
moment niet langer voor rekening van de eigenrisicodrager, maar worden verder gefinancierd uit de collectieve basis-premie.

  • De WGA bevat financiële prikkels vanaf de eerste uitkerings¬dag. Iedere euro meer inkomen betekent voor de werkne¬mer een hoger (totaal)inkomen. Het WGA-gat treft alleen diegenen die (hoewel zij daartoe medisch in staat worden geacht) niet of onvoldoende werken. Het WAO-gat trof iedere uitkeringsgerechtigde, ook als die echt niet meer kon werken.

Gevolg: De WGA stimuleert werknemers om het werk zoveel mogelijk te hervatten.

  • De maximale uitkeringsduur van de loongerelateerde WGA¬uitkering is slechts drie jaar en twee maanden. Bij de WAO was dat nog zes jaar.

Gevolg: Met name de eerste (loongerelateerde) uitkeringsperiode maakte het eigenrisicodragen WAO relatief kostbaar. Deze termijn is nu bijna gehalveerd.

  • De loongerelateerde uitkering van de WGA kent in tegen¬stelling tot de WAO een referte-eis; de werknemer moet in de 36 voorafgaande weken in tenminste 26 weken gewerkt hebben. Bovendien gaat het feitelijk arbeidsverleden als gevolg van wijzigingen in de WW steeds zwaarder mee¬tellen. Het oorspronkelijke karakter van de WAO, een pure risicoverzekering, is daarmee verleden tijd. De WIA krijgt meer het karakter van een opbouwverzekering. De referte¬eis geldt overigens niet voor werknemers die volledig én duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Die krijgen direct een IVA-uitkering.

Gevolg: De maximale duur van de loongerelateerde uitkering bedraagt weliswaar drie jaar en twee maanden, maar de gemiddelde duur is vaak veel korter (1,5-2 jaar), hetgeen een positief effect heeft op de premie.

  • Alle bestaande WAO-uitkeringen blijven (ook bij latere toe-name van arbeidsongeschiktheid) voor rekening van het WAO-fonds.

Gevolg: Iemand met een gedeeltelijke WAO-uitkering kan later niet alsnog in de WGA komen. De WGA geldt alleen voor werknemers die op of na 1 januari 2004 voor het eerst geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geworden.

Lage premies
De termijn van eigenrisicodragen bij de WAO was aanvankelijk vijf jaar, later vier jaar en betrof alle uitkeringsgevallen. De termijn van eigenrisicodragen WGA was aanvankelijk vier jaar en is met ingang van 2007 tien jaar, maar betreft slechts een beperkt deel van de uitkeringsgevallen. Bovendien loopt een werkgever aanzienlijk minder financiële risico’s omdat een flink deel van de WGA-uitkering (de loonaanvullingsuitkering voor zover die meer bedraagt dan een percentage van het minimumloon) ook na 2007 collectief gefinancierd wordt uit de  WAO/WIA-basispremie. Alle werkgevers betalen daaraan mee. Per saldo kunnen we stellen dat het WGA-eigen risico nog maar een fractie is van het voormalige (allesomvattende) WAO¬eigen risico. Dit verklaart mede de lage premies die zowel UWV als verzekeraars voor dit risico vragen.