Financiële aspecten van het eigenrisicodragen

Lager totaal eigen risico
In het voorgaande hoofdstuk zijn de aanzienlijke verschillen aangegeven tussen het WAO-risico en het WGA-risico. Ondanks de verlenging van de eigenrisicotermijn van vier jaar (WAO) naar tien jaar (WGA), is het totale eigen risico WGA in financieel opzicht nog steeds veel minder dan het vroegere eigen risico WAO. Belangrijkste oorzaken daarvan zijn de wachttijd van twee jaar, de hogere toelatingsdrempel van 35% en het feit dat werknemers die volledig én duurzaam arbeidsongeschikt zijn niet in de WGA belanden, maar in de IVA. Daarnaast zullen werknemers die aanvankelijk tijdelijk volledig arbeidsongeschikt waren, en daardoor in de WGA kwamen, alsnog overgaan naar de IVA als blijkt dat hun arbeidsongeschiktheid alsnog blijvend èn duurzaam is.

Uitkering
Wat ook niet onvermeld mag blijven, is dat het bij eigenrisicodragen WAO om de totale uitkeringslasten ging, verhoogd met werkgeverslasten over de uitkering. Bij het eigen risico van de WGA gaat het ‘slechts’ om de kosten van de tijdelijke loongerelateerde uitkering -gemiddeld 1,5 tot 2 jaar 70% van het verschil tussen het oude (gemaximeerde) loon en het nieuwe loon, plus de kosten van de loonaanvullingsuitkering of de vervolguitkering. De kosten van de loonaanvullingsuitkering zijn echter, net als de vervolguitkering, beperkt tot een percen¬tage van het minimumloon. Het meerdere is en blijft collectief gefinancierd via het UWV en maakt dus geen deel uit van het eigen risico van de WGA. Dat scheelt dus gemiddeld acht jaar lang) een flinke slok op een borrel. Ook de door de eigenrisicodrager verschuldigde werkgeverslasten worden dus niet berekend over de hogere loonaanvullingsuitkering, maar over het bedrag van de lagere vervolguitkering.

 

Werknemer
Werkgevers zijn vanaf 1 januari 2006 bevoegd om 50% van de WGA-lasten te verhalen op het nettoloon van de werknemer. Met ingang van 1 januari 2009 is dit ook wettelijk geregeld. Het gaat daarbij om 50% van de gedifferentieerde WGA-premie (omslagleden UWV) of om 50% van de kosten van het eigen¬
risicodragen (private verzekering). Werkgever en werknemers hebben dus een gezamenlijk belang om de kosten van de WGA binnen de perken te houden. Preventie en snelle reintegratie van arbeidsongeschikten zijn daarbij cruciaal. Werk¬gevers die een private verzekering hebben afgesloten, zullen daarbij uiteraard worden ondersteund door hun verzekeraar. Werkgevers die publiek verzekerd blijven bij het UWV, zullen het zonder ondersteuning moeten doen omdat het UWV pas bij de WGA-keuring (na 21 maanden) in actie komt.

No-Riskpolis Ziektewet
De nieuwe WGA kent een bijkomstig voordeel. Wanneer een eigen werknemer ondanks alle re-integratie-inspanningen tóch in de WGA terechtkomt, kan de werkgever aanspraak maken op één jaar premiekorting WW/WAO/WIA tot maximaal € 2.042. Tevens kan hij voor alle ziektegevallen van die werk¬nemer die binnen vijf jaar na toekenning van de WGA-uitkering aanvangen, gebruikmaken van de zogenaamde No-Riskpolis Ziektewet. Dat betekent dat het UWV (vrijwel) alle kosten van latere ziekte(n) van de betreffende werknemer, tot het maximumdagloon, voor zijn rekening zal nemen.

Uitbetaling
Voor de uitbetaling van de WGA-uitkering aan de arbeidsongeschikte werknemer heeft de werkgever de keuze (wettelijke bevoegdheid) om de uitkering zelf te betalen of deze door het UWV te laten betalen. Als de werkgever ervoor kiest om de uitkering, conform de specificaties van het UWV, zelf te
betalen, kan hij de kosten van de loonaanvullingsuitkering (voor zover deze meer bedragen dan de vervolguitkering) declareren bij het UWV. Daarbij is echter wel de nodige kennis van uitkeringsregelingen vereist.

Veel eenvoudiger is het om de WGA-uitkering (zoals gebruikelijk) door het UWV te laten uitbetalen aan de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer of aan de werkgever. Het UWV zal de kosten van het eigenrisicodragen (loongerelateerde uitkering en loonaanvullingsuitkering tot maximaal het bedrag van de vervolguitkering, dan wel de ver¬volguitkering zelf) bij de werkgever declareren. Werkgevers die dit eigen risico hebben verzekerd, kunnen deze declaratie vervolgens eenvoudig doorsturen naar hun verzekeraar, die deze conform de polisvoorwaarden zal vergoeden. De werk¬gever betaalt in die gevallen dus uitsluitend het loon dat de werknemer met zijn al dan niet aangepaste werkzaamheden bij hem verdient.

Misverstand
Werknemers met een WAO-uitkering vormen géén inlooprisico voor de werkgever die besluit om eigenrisicodrager te worden. Voor de WGA worden deze werkgevers, mits er verder geen zieke werknemers of WGA-gerechtigden zijn, als ‘schone’ werkgever aangemerkt. Juist voor deze werkgevers kan eigen¬risicodragen interessant zijn omdat zij bij het UWV vaak een verhoogde gedifferentieerde WGA-premie betalen. Dat komt omdat de WGA een nieuwe regeling is, en de WGA-premie door het UWV (bij gebrek aan eerdere schadegegevens WGA) mede wordt berekend op basis van de WAO-uitkeringen die aan de (ex-)werknemers van die werkgever worden uitgekeerd totdat de 4-jaarstermijn vervuld is.